De Mammoet

Een mammoet is eigenlijk een soort Indische olifant met een lange, harige vacht. Tijdens de laatste IJstijd ontstonden toendragebieden. Dat zijn steppes met nog bevroren grond waar bovenop mossen en kleine struiken groeien. Ideaal voor een grazende mammoet.

In de bek van de mammoet is ruimte voor vier grote kiezen: twee boven, twee onder. Omdat er in de grassen die een mammoet eet kiezelzuur zit (een soort steengruis) slijten de kiezen af. Dat is niet handig voor zo’n groot dier dat eigenlijk altijd moet eten om genoeg energie binnen te krijgen om warm te blijven en te kunnen bewegen. De kiezen van een mammoet groeiden van onderaf door en na twaalf jaar wisselden ze naar een nieuwe kies. Mammoeten konden zes keer wisselen en daarom dus maximaal 72 jaar worden.

De mammoet die hier staat, bestaat uit 70 verschillende individuen. Deze botten zijn in de loop der tijd opgegraven of soms zelfs opgevist uit de Noordzee. Op de plek waar nu de Noordzee is was namelijk tijdens de ijstijd zo´n grote toendra. Echter, toen de gletsjers na de laatste ijstijd smolten steeg de zeespiegel en ontstond de Noordzee. Als gevolg hiervan worden er nu nog steeds botten opgevist door vissers. Eigenlijk is de Noordzee dus een groot kerkhof met prehistorische dieren! De geleidelijke opwarming van de aarde deed de mammoet vanaf 14.000 jaar geleden terugtrekken naar Noord-Siberië, waar die ongeveer 4.000 jaar geleden is uitgestorven.